Recensie: ‘Kennis is geluk’ van Joost Zwagerman

03-12-2012 13:11

“Soms heb je een ander nodig die jou voordoet hoe je moet kijken, opdat je kunt zien en ontdekken wat je zonder die ander vrijwel zeker zou zijn ontgaan”, aldus Joost Zwagerman in zijn vorige bundel Alles Is Gekleurd. Misschien zegt hij dit niet tegen de lezer maar tegen zichzelf. Over Kennis Is Geluk, zijn nieuwe bundel met kunstartikelen, beweert Zwagerman: “Het is een amulet, dit boek. Het heeft me op de been gehouden.”

Want ja, ook een man die met een gouden pen over kunst schrijft is maar een mens. Ineens was daar namelijk hét interview met de Volkskrant waarin Zwagerman openhartig sprak over zijn depressies, de echtscheiding van zijn vrouw en de daaropvolgende burnoutdiagnose.

Conservatorentaaltje
Kennis Is Geluk bevat artikelen die hij voor diezelfde krant schreef. De Volkskrant stelde hem vrijwel wekelijks een halve pagina ter beschikking. Het zijn niet de uitgebreide, verhalende essays die we van hem gewend zijn. 

Storend is de kortere lengte allerminst. Voorkennis om er als lezer volop van te kunnen genieten is amper nodig. Kom daar maar eens om bij de kunstbladen die om de haverklap smijten met vaktermen en een verstokt conservatorentaaltje: om depressief van te worden.

Nee, Zwagerman blijkt degene die je nodig hebt om een andere kijk op kunst te krijgen. Zijn teksten prikkelen omdat hij met taalvaardige uit- en omhalen, via een weg die bijna uitzichtloos lijkt, alsnog uitkomt bij verrassende vergelijkingen en conclusies.

Corbijn
Typerend voor Zwagermans inzichtelijke blik is een moment uit een documentaire over Anton Corbijn, waarin de fotograaf dolt met de zanger van Depeche Mode:

Dankzij die lach vangen we een glimp op van de absolute leeftijd van de toen ook al wereldberoemde fotograaf. Op basis van die lach schat ik Corbijns leeftijd op acht, negen jaar. Op die leeftijd ben je de magische periode van je vroegste jeugd ontgroeid en verkeer je in de periode van – voor jongens – het kuilen graven, cowboytje spelen en stoeien en dollen. Het is de leeftijd van de tomeloze nieuwsgierigheid; de leeftijd waarop je voor het eerst verbaasd, zelfs perplex bent over de verre buitenwereld, het sterrenstelsel en de onmetelijkheid van het heelal. Maar ook verbaasd over het bestaan van zoveel anderen, een sterrenstelsel van individuen die ver buiten jezelf vallen. Die nieuwsgierigheid en verbazing heeft Corbijn nooit afgelegd.

Groot, groter, grootst
Dergelijke interpretaties doen werk en kunstenaar lichtjes kantelen. Zwagerman bezit daarnaast de prettige eigenschap dat hij niet klakkeloos alles aanneemt en zich weinig aantrekt van reputaties. Af en toe wat kort door de bocht misschien. Hij heeft grote moeite met beeldentycoon Julian Schnabel wiens aanpak er eentje is waar je inderdaad van moet houden: groot, groter, grootst. Voor Zwagerman is hij iemand die een kunstenaar nadoet. Dat Schnabel als regisseur enkele fraaie films op zijn naam heeft staan die in alles het tegendeel zijn van de Sturm & Drangkunst, ziet de schrijver een beetje over het hoofd.

Behalve Kijken doet Zwagerman aan Lezen, een ander hoofdstuk dat een groot aantal pagina’s van zijn bundel beslaat. Zijn felle kritiek op P.F. Thomèse’s artikel uit 1998 over diens aanname dat de serieuze literatuur op omkiepen staat, laat Zwagerman handig parallel verlopen aan zijn bewieroking voor Bas Heine’s beduidend minder zwartgallige essay over hetzelfde onderwerp.

In Alles In Kunst vat Zwagerman niet alleen het schrijven en lezen over kunst samen, hij keert de kunst kritisch, juichend, soms polemisch, binnenste buiten. Alles bezien met het ontvankelijke oog van de liefhebber; verbazing gekoppeld aan verdieping. Wie Zwagerman leest krijgt (weer) zin in kunst.

Joost Zwagerman: Kennis Is Geluk (De Arbeiderspers, 2012)